vrijdag 29 september 2017

Mijn zus eet uit de prullenbak

Mijn zus eet uit de prullenbak. Of, beter gezegd, uit een container. En dan bedoel ik niet containers die in stapeltjes van drie dienen om studenten te huisvesten maar zo'n bak op wielen achter een supermarkt waar afval in wordt gedumpt. En ze is er nog trots op ook. Sterker nog, de meeste van de foto's die ze in de familieapp plaatst, zijn stillevens van haar vangst. 'Oogst', noemt ze het zelf.

Ze heeft verder een keurige betrekking op een school alwaar ze kindertjes van expats (eufemisme voor gelukszoekers) Nederlands bijbrengt. Ze doet elke dag de afwas, veegt dagelijks haar keukenvloer en houdt een oogje in het zeil bij haar bejaarde buurvrouw. Roken of drinken doet ze niet en 's morgens zet ze cafeïnevrije koffie met melk en een beetje suiker. Op de terugweg van haar werk gaat ze om de dag langs 'haar' container en stopt dan de 'boodschappen' in haar fietsmandje. Naast de voorleesboeken voor kleuters. Keuzestress over wat ze zal koken is haar vreemd en ze heeft over variatie op het menu weinig te klagen. Soms moet de oogst worden verwerkt en staat ze opeens twee kilo asperges schoon te maken of inspireert een vangst haar tot het bakken van een taart vol bosbessen. Die rijper zijn dan je ze in het schap ooit aantreft.

Eigenlijk is er weinig verschil met wat er in mijn achtertuin groeit. Alleen heeft mijn zus geen last van ziektes als meeldauw op de courgettes of kroprot in de sla. Qua fruit stel ik me tevreden met de twee (!) appels die in mijn boom hangen. Aan het kweken van bananen en avocado's waag ik me voorlopig maar niet.

Mijn zus hoeft ook geen concurrentie te vrezen. Maar bij mij smullen slakken met of zonder huis van de aardbeien, meent de kat dat het geschoffelde bedje prei een ideale kattenbak is en gunnen de mussen mij geen rijpe boontjes.

Ook bespaart ze zich het werk van het opbinden van de komkommer, het dieven van de tomaten en het toppen van de basilicum. Er wordt bij haar op hete dagen geen kostbaar drinkwater aan sproeien verspild en tot slot bespaart ze er ook nog eens geld mee.

Het zal vast niet lang meer duren totdat Sire met een kliekjescampagne 2.0 komt: 'Eet meer afval' 


Afval








 
Ook afval (uit Turkije)
 
Fruitsalade uit de container!


Deze hebben wel pitjes

maandag 25 september 2017

De redacteur

Met mijn fiets aan de hand en net opgestoken peuk vraag ik me af hoe Amsterdam in zo'n korte tijd zo veranderd kan zijn. Maar na het uitblazen van de rook, zie ik het muziekgebouw aan het IJ en het aanmerende pontje uit Noord. Ik ben aan de verkeerde kant van het Centraal Station beland. Teruglopen naar de andere kant lijkt me met fiets nogal een gedoe, de recente beknelling tussen de poortjes van de Parijse metro staat me nog helder voor de geest. Ik rij er omheen. Over het plein met de 'shared space': voetgangers en fietsers kris kras door elkaar. Onder de nieuwe fietstunnel door, waar op een blauw-wit tegeltableau woeste schuimkoppen rond schepen met VOC-mentaliteit dansen: 'Neerlands trots onder het spoor.' 

Hier is dan dat Amsterdam, waar 'bewoners' zich niet meer thuis zouden voelen omdat stadgenoten hun huizen via Air-BNB verhuren. Waar taxibedrijven elkaar op leven en dood beconcurreren. Ben benieuwd wie van hen terug zou willen naar het Amsterdam uit 'Zondagsgeld' van Philip Snijder. Toen er zo veel troep in de Bickersgracht werd gedumpt, dat er eilandjes aan de oppervlakte verschenen. 

Aan de goede kant van het station bewonder ik de in steigers en gaas verstopte gevel. Een kudde Duitse scholieren trekt ratelend hun koffers achter zich aan. De bel van een tram klinkt als iets uit een vorig tijdperk, maar werkt nog prima: een Frans gezin springt geschrokken van de rails. Dan word ik, tien minuten na mijn aankomst, naar de weg gevraagd, in plat Amerikaans. Voor mij als Groninger die is behept met een straatnamenfetisj -ik liep mijn roeping als postbode mis-, is er geen beter welkom denkbaar. Met misplaatste trots wijs ik hen de weg. Ze zochten het station. 

Er tegenover staat het huisje dat een hoofdrol speelt in 'Publieke werken'. De schrijver van dat boek, Thomas Roosenboom, heeft zich volgens deze Mark nogal wat literaire vrijheden gegund. Hoofdpersonen zouden zich niet hier maar in Duitsland en Hoogeveen bevinden. En de verfilming is grootdeels in Hongarije gedraaid. Best handig, omdat het Victoriahotel dat om het huisje is gebouwd er nog niet stond in de tijd dat het verhaal speelde. Terwijl ik bedenk dat ik noch het boek las, noch de film zag, attendeert een man me op een loshangende snelbinder. En nee, ook dit was geen truc om me te bestelen. 

Mijn route gaat langs de Schreierstoren, over de Gelderse kade naar de Nieuwmarkt, waar je twee eeuwen eerder niet op weedlucht werd vergast maar een luguber spektakel kon zien: "het verminken der ledematen of der zintuigen, als het afsnijden der ooren, het uitsteken der oogen, het splijten van den neus, het opensnijden van de wang enz." Na twee keer links en rechts - als ik mijn hand uitsteek voel ik me tamelijk provinciaal- is er geen toerist meer te zien. Hier verschillen de bankjes op de stoep en bloemen in melkbussen niet veel van wat men in de straatjes van pakweg Appingedam aantreft. 'Snoekjeskade', lees ik op de gevel. Nooit van gehoord. 

De ochtend erna vraagt mijn moeder in mijn eigen Air BNB aan de Amstel welke koffie ik wil. Mijn vader vouwt een plattegrond open en zoekt de snelste weg naar de schrijfdag in Diemen. Of all places. Wellicht zijn zaaltjes daar voor een lager tarief te huur dan in deze metropool itself. 'Is het beter om de ringdijk te volgen of is de weg door Watergraafsmeer toch korter?' Ik mag de kaart wel mee, zegt hij. Maar mijn navigatie staat al aan. Internet is de doodsteek voor hulpvaardige vaders. Al heeft de mijne een hippere I-phone dan ik. 

Ik fiets langs borden die me oproepen om bij verdachte situaties 112 te bellen. Op de halve naakten in de tuin van Frankendael zit een groen waas. Aan de ene kant van de rechte weg die me naar Diemen voert staat een hekwerk met fraaie foto's van verstilde taferelen. Foto's die achter de tralies en rododendrons grafzerken doen vermoeden. Links wachten voetbalvelden op wat komen gaat. Op weg naar de schrijfdag fiets ik over de Middenweg tussen de doden en de levenden door. Straks zal Arthur Japin spreken en redacteuren houden lezingen. Eén van hen ken ik nog van vroeger, toen hij nog een soort van familie van mij was. 

In Diemen lijken de straatnaamborden in de ban gedaan. Die mening is ook Lidewijde Paris toegedaan, zo hoor ik haar uitroepen als ze met stapels boeken binnenstormt in theater 'de Omval'. Ik heb dan nog geen idee wie ze is. Lidewijde komt uitleggen hoe je leest, aan ons debutanten in spé. Die zich tussen de lezingen door in de kijker proberen te spelen bij redacteuren en uitgevers, of zelf worden warm gepraat door schrijfcoaches. Tussen het blonde, witte vrouwvolk dat van heinde en verre naar deze schrijfdag komt, hoef ik niet meer bang te zijn om op te vallen. Al wil ik dat nu juist wel. 

De redacteur die ik ken staat buiten te roken. Hij herkent me: 'Hé, jij ook hier?'. We zoenen elkaar gedag. (Of moet dat anders geformuleerd, als het een weerzien is?) Ook ik ben verbaasd, ik had in hem, een keurige familieman met koningspaar uit een Vinexwijk, geen roker vermoed. Ooit was ik te gast op zijn bruiloft, hij kwam op kraamvisite bij mijn tweede en ik weet dat zijn dochter de naam van een bestseller draagt. Het wordt vandaag zijn eerste lezing. Hij oogt nerveus, pielt wat met zijn smartphone en zegt dan dat zijn vrouw niet weet dat hij rookt. "Dat ruikt ze toch'', flap ik er uit. Maar hij heeft een dekmantel, hij gaat vanavond nog naar rocktempel Paradiso. Ik volg je op twitter, zeg ik nog. 'O ja, dat vergeet ik altijd', zegt hij, 'dat mensen mij volgen.

De hele dag horen we verhalen over slush piles, showing & telling en suspension of disbelief. Hier en daar krijgen we een inkijkje in het thema van iemands levensverhaal/ roman in wording: "Hoe overleef ik twintig jaar met een vrouwenhater". 

De laatste spreker is een Vlaamse. Ze leent zich goed voor de oefening om aan 'personages eigenschappen toe te dichten'. Braaf fantaseer ik met wie deze vrouw, met kaarsrechte pony en strenge bril, het bed deelt. En hoe. Er lopen een paar toehoorders de zaal uit. Zou mijn verzonnen hete Vlaamse te luid zijn geweest? 

Gelukkig bleven bij de redacteur die eens familie was de toehoorders wel zitten. In navolging van zijn advies 'maak geen strikte scheiding tussen wat is en wat zou kunnen' bedenk ik dat zijn speech wellicht door zijn vrouw is geschreven en dat het door hem aangehaalde ingedutte huwelijk misschien op hen slaat. Of, en dat is een lievere aanname, staat het boek van van Marissing met als thema de verwijdering tussen twee echtelieden na de komst van een kind hem nog helder voor de geest (en voilá, de tweede 'heldere geest' in deze longread. Foute boel). Of hangen zaken samen? Je ziet wat je wilt zien slaat zeker ook op lezen. 

'Het begint met het besef dat de levens die u schept in de verzonnen wereld (...) onlosmakelijk zijn verbonden met uw eigen bestaan in de werkelijke wereld.' Dat heeft hij mooi gezegd, of beter nog: mooi geschreven (of zíj, who knows?) Want wat ik hem mee zou willen geven is dat geschreven en gesproken tekst wezenlijk anders zijn. Bij het nalezen van zijn speech 'leeft' die wel, maar zo door hem opgelezen van blad een stuk minder. Misschien struikelt hij om een andere reden over zijn woorden. Was hij zonet buiten druk aan het appen met zijn geheime date? Die straks breed lachend en knetterstoned tegen hem aanrijdt in Paradiso. Of achter de bosjes van het verstilde Frankendael. (Ja, Geert Kimpen, ik heb goed opgelet bij uw les over dat 'planten'; anekdotes eerder benoemen omdat er later in het verhaal nog iets mee moet). Want waarom benoemde hij de twee manuscripten die in zijn auto lagen, (maar niet mocht lezen van zijn vrouw omdat het zondag was) maar liep hij na de schrijfdag richting trein? 'Ook als u tot de conclusie komt dat de werkelijkheid te veel beperkingen heeft om antwoord te geven op uw vragen, en er dus voor kiest om uw verhaal in romanvorm te vertellen, is dat nog niet meteen een reden om de domeinen van wat is en wat zou kunnen strikt van elkaar te scheiden.' 

Na de lezing zit hij in het redacteurenhoekje waar hij de één na de andere bezoeker te woord staat die hun ongetwijfeld unieke manuscript meenamen. Ik drink bier, hij cola. Dan roep hij er een organisator bij: "Dit zijn de laatste twee waar ik mee praat en dan ga ik nog een peuk roken met Lehti". Verbaasde hoofden draaien zich naar me om. Had die dame van Querido ons niet bezworen dat je iemand moest kénnen uit de uitgeversscene, denken ze wellicht. Ik lach schaapachtig en realiseer me dat hij mijn manuscript al eens las. Nu zit het ergens in de catacomben van mijn gecrashte Mac. 

Buiten toon ik bewondering voor zijn geduld. En in plaats van hem opnieuw wat van mijn verhalen  in de hand te drukken, plaatst hij me náást zijn functie: 'Die vrouw met de hoed was wel interessant, heb je haar gezien? Het klonk alsof ze uit een ander milieu kwam, ik heb haar mijn mailadres gegeven, 's kijken of ze ook met woorden overweg kan.'  Ik zag veel vrouwen, maar geen hoed. Shit, denk ik dan, heb ík zijn mailadres eigenlijk wel? Dan dicht ik mezelf de rol van strenge recensent toe. Hij bedankt me hartelijk voor de tip om vragenstellers uit de zaal in het vervolg even de microfoon te geven. Dat ook zijn spreektempo en ademhaling enige aandacht behoeven hou ik wijselijk voor me. Net als zijn tweet waarin hij ageerde tegen mensen die antidepressiva als zinloos afdoen. Ik zeg er niks over. Vraag er niet naar. Pijnlijk ervaar ik hoe veel moeilijker sommige onderwerpen in het echte leven zijn dan er iets over te schrijven. 

Hij steekt er nog één op. Hij kreeg goede feedback, zegt hij. Sommigen zagen in hem een stand-up comedian. Gemeen voeg ik er aan toe dat zij bij hem iets te halen haddden. 'Jij toch ook?', zegt hij adrem. Hij heeft gelijk. Mijn schrijfsels of link naar hier, durf ik hem niet te geven. Wel probeer ik hem te teasen met iets dat er niet meer is: dat dit blog tien jaar geleden begon met kinky verhalen. Zijn interesse is gewekt. Seks sells. Maar na de melding dat het hier nu netjes gekuist is, slaat het gesprek dood. 

De lastigste bezigheid in het schrijfproces zit hem in het schrappen. En dan bij voorkeur de stukken waar je van bent gaan houden. Daar is een prachtige, alweer Engelse term voor: 'Kill your darlings'. 'Als je tweeduizend woorden hebt, probeer er dan driekwart van te schrappen'. Dat ik niet erg moordzuchtig ben aangelegd blijkt uit dit schrijven dat 1999 woorden telt. 

Vierentwintig uur na mijn aankomst op Amsterdam CS, til ik mijn fietsje weer uit de trein in mijn thuissstad Groningen. Hoewel ik hier niet opgroeide. Voor het station hoor ik flarden van een Grieks gesprek. Voor het Groninger museum zingt een bluesgitarist zijn geld voor een paar biertjes of overnachting bij elkaar. Op het Zuiderdiep zitten terrassen vol met mederokers en vreemdgangers en zelfs op dit late zondagse uur speelt er een heus bandje in de Folkingestraat. Een meisje met blauw haar haalt me in op haar longboard, ik fiets langs de school die de redacteur bezocht (hij groeide hier wél op), over het Damsterdiep en dan dwars over het Europaplein. Deze Martinistad heeft geen krant nodig om op te scheppen over één zogenaamde 'shared space'. Hier gaan op kruispunten alle fietsverkeerslichten tegelijk op groen. Voor elke richting. Dat levert in de spits een prachtig schouwspel op. Geen Stadjer die zich daarvoor op de borst klopt. Het werkt gewoon. 

Of datzelfde voor mijn debuut geldt moet nog blijken.

zondag 17 september 2017

Take me to church

De ratelende wieltjes van Leo's skateboard begeleiden de Hallelulah's die ons tegemoet komen. We laveren tussen een deprimerende verzameling gebouwtjes die hier aan de rand van de ringweg tijdelijk onderdak biedt aan allerlei vage bedrijven en genootschappen. Belendende borden hangen scheefgezakt achter glas. Op hoogspanningskabels boven ons zitten honderden spreeuwen zij aan zij te kwetteren in de zon: "Kijk, die hebben vandaag ook een kerkdienst", zeg ik tegen Leo, terwijl ik mijn fiets op slot zet. Hij wil zich laten dopen. Al maanden had ik het plan om eens met hem mee te gaan naar de kerk. Vandaag is het zover.

Leo wacht op mij in de deuropening. Het eerste dat ik bij binnenkomst zie zijn twee mollige babybeentjes die omhoog worden getild om een nieuwe luier onder de billetjes te leggen. Het kind ligt op een kantoortafel, zijn moeder heeft het ontkroesde haar perfect in model. Net als alle andere kerkgangers. Stilletjes gaat Leo me voor naar twee lege stoelen. Hij legt zijn skatebord tussen ons in. Ongemakkelijk liggen mijn handen op mijn schoot.

Een paar rijen vóór mij doet een moeder met een omvang waar ik drie keer in pas (wat moet het fijn om tegen zo'n boezem troost te vinden) verwoede pogingen haar tienerzoon bij de dienst te betrekken. Onder zijn gezicht waar de verveling van afdruipt zit een prachtige vlinderstrik. Het maakt zijn paars met zwarte pakje helemaal af. Ik stel me voor dat er bij hen vanmorgen geen onenigheid was over wat het kind aan moest trekken. Zo'n omvangrijke vrouw deelt thuis vast de lakens uit. Hoe anders verliep het bij mij thuis. In mijn Hollandse huishouden met 'overleg-structuur'. Mijn halfslachtige poging om Leo over te halen zijn sportbroekje te verruilen voor een nettere outfit haalde niks uit. Het ging er volgens mijn zoon niet om hoe je er uitzag, maar hoe je van bínnen bent. Tegen zoveel zondagse wijsheid kon ik niet op.

Niet alleen ontbeer ik het gezag van een zelfverzekerde moeder uit de Cariben, ik zal me ook nooit zo'n warme 'W' eigen kunnen maken. Als we 'Wees welkom in de familie van God' inzetten, klinkt het uit mijn mond meer als "Fees-vél-kom". Zelden was ik me eerder zo bewust van mijn kleur. Ik voel me als een vrouw die zonder hoofddoek de moskee betreedt, als een Chinees op schaatsen. Dat ik braaf meezing voor 'The Almighty' doet naar weinig aan af. Opgelucht geef ik gehoor aan de voorganger die iedereen uitnodigt een nieuwgeborene te zegenen. Weet ik eindelijk waar ik mijn handen moet laten. Tientallen armen strekken zich uit naar voren. Naar het kale kindje met roze strik.

Zingen is fijn en van heupwiegen ben ik ondanks mijn witte kleur niet vies. Wel gaan mijn tenen krommen als de aanwezigen er aan worden herinnerd dat God een bestemming voor ons heeft. Op zichzelf een troostrijke gedachte. Ook best een mooi tegengeluid voor de doorgeslagen maakbaarheid van ieders eigen geluk anno 2017. Spijtig genoeg haalt de voorganger in dezelfde passage de rol van huisvrouw aan. Mijn gedachten dwalen af  naar hoe honderd jaar eerder met hetzelfde argument de logica van de bevoogding van zwarten werd gepredikt, en vijftig jaar terug degenen met een andere seksuele voorkeur werden -en worden- neergezet als mensen die tegen 'Gods wil' ingingen.  De schepping wordt bezongen met een stichtelijk lied van Elly en Rikkert. Ik heb persoonlijk meer met hun 'kauwgomballenboom' ("de ballen die dan plakken laat ie naar beneden kwakken")

Mijn kritische gedachten worden onderbroken als Leo me te kennen geeft te gaan staan. De voorganger merkt op dat er 'enkele nieuwkomers in ons midden zijn'. Ongemakkelijk neem ik het applaus en vooral de glimlachende blikken in ontvangst. Wees welkom, galmt het door mijn heidense gedachten. God mag weten wat er in hun hoofden omgaat.

Als we weer thuis zijn vind ik op de grond een papiertje met Leo's handschrift "Vader tuchtigt je met een reden". Hieronder prijkt de naam van de voorganger waar ik na de dienst mee sprak. Ik laat niet merken dat ik het briefje lees en leg het terloops terug. Als hij me vraagt wat ik van de dienst vond probeer ik zo lovend mogelijk te zijn: "Ik weet dat de kerk belangrijk voor je is, en jij, Leo, bent belangrijk voor mij. Dus het was fijn om er bij te zijn". Ook vraag ik hem wie hij wil dat er aanwezig is bij zijn doop. Hij mompelt wat namen en voegt er na een stilte aan toe: "Ik weet het nog niet, misschien moet ik eerst nog eens bij de katholieke kerk kijken." 

Oh bless me Father!
Take me to church!
Hallelujah!

dinsdag 5 september 2017

De betaalde voyeur

Ze willen iets groters, lichters en meer groen om zich heen en vertrekken nu van de uitgeleefde bovenwoning in de binnenstad naar een huis met eigen parkeerplek. En ik verhuis, zoals met veel van mijn klanten, met hen mee. Bij deze mensen was gezinsuitbreiding de reden om te verkassen maar soms willen mensen om omgekeerde redenen weg. Omdat er iemand dood is. Of vanwege een scheiding. In dat laatste geval is men het over weinig nog eens en de oplevering van de oude, gezamenlijke stek geeft dan de nodige stress. Die ik geduldig aanhoor als men mij koffie aanbiedt.

Zwangerschapskwaaltjes, gedoe over de erfenis of wrok naar een ex. Een man die opschept dat hij zijn zoon, die vastzit, elke week opzoekt, gemopper op buren. Ik hoor verhalen uit elke levensfase. Een moeder die zich ongevraagd bemoeit met haar kind dat op kamers gaat, de vrouw die de hoop ooit nog te gaan samenwonen heeft laten varen en kleiner gaat wonen en de ouderen die hun beklag doen over familie die hen een verzorgingshuis in wil praten.

Na de koffie betreed ik de duistere hoeken in hun huizen. Voor een uur, een dag of een hele week. In de goot, door keukenafvoeren of achter kniebeschotten van een zolder waar men alles heeft verstopt dat niet voor andermans ogen bestemd is of waarvan herinneringen pijn doen. Ik vervang een deur met een gat en maak een doorgezakt bed weer heel. Ik trek lades open in bad- en slaapkamers zonder naar de inhoud te kijken en repareer alleen de gevolgen van de overbelasting ervan. 

Wat ik ook hoor, waar ik ook loop of gluur of graai, men is altijd blij met mijn komst.
En ik word er nog voor betaald ook. 

maandag 28 augustus 2017

Wat vindt u van ons?

Mijn mening doet er toe. Althans, dat zou je verwachten als je alle verzoeken om die te ventileren aanschouwt. Ik vind ze bij bosjes in de brievenbus of op de digitale deurmat. Het maakt niet uit wát mijn mening is, áls ik maar iets vind. Zelfs na het wegklikken van ongevraagde reclame boven mijn mail plopt er-opnieuw ongevraagd-: 'Vertel ons waarom je de advertentie gesloten hebt' omhoog.

Bij telefoontjes naar instanties krijgt je nog vóór het stellen van je vraag de boodschap dat: Het gesprek kan worden opgenomen 'om de dienstverlening te verbeteren', of, directer, 'ten behoeve van trainingsdoeleinden'. Soms aangevuld met het verzoek om na afloop van het gesprek deel te nemen aan, u raadt het al, een enquête. Om misverstanden vóór te zijn wordt dan ná zo'n gesprek -maar vóór de eventuele enquête- gevraagd: 'Is uw vraag zo voldoende beantwoord?' en 'Heeft u verder nog vragen'?  Als de desbetreffende medewerker zijn of haar huiswerk goed heeft gedaan, sluit die het gesprek af met het noemen van je naam en het toewensen van een prettige dag. Van zo'n stortvloed aan persoonlijke aandacht vergeet ik van de weeromstuit het gekregen antwoord.

Het komt vast door de privatisering, -lees toenemende concurrentie-. In Nederland dan. Want wie wel eens een instantie benaderde búiten de landsgrenzen zal heel wat kroegpraat kunnen opdissen over ongeïnteresseerde medewerkers die in het woord 'dienstverlening' omgekeerd uitlegden. Alsof  je als burger een dienst bewijst aan degene wiens werk het is jou van informatie te voorzien.

Misschien komt het door al die prachtige opleidingen op het gebied van communicatie. Want waren het niet stagiaires van zo'n opleiding die me uithoorden over de openheid/ bezigheden/ zichtbaarheid van het bestuur van de sportclub waar mijn jongens bij spelen?

Hoe mooi al die moeite die men doet om het gewone man of vrouw naar de zin te maken ook is, ik word van al die klantgerichtheid een beetje kregel. Tot voor kort was ik geneigd om plichtsgetrouw alle enquêtes naar eer en geweten te beantwoorden. Het is per slot voor de goede zaak. Al zou ik wel eens willen weten hoeveel invullers zich vertegenwoordigd voelen als ze cijfers zien die de gestegen klanttevredenheid aantonen van een overheidsdienst, ziekenhuis of sportclub. Zou men een neus voor hebben voor mijn braafheid? Zodat elke nieuwe ingevulde vragenlijst nieuwe verzoeken om mijn mening genereert? Dat zou de betrouwbaarheid van de uitkomsten nadelig beïnvloeden. Maar misschien bewijst het alleen dat ik een groot netwerk heb, midden in het leven sta. Of, dat kan natuurlijk ook, veel problemen heb. Wat daar ook van zij, op mijn beantwoording wachten nog vragen over hoe tevreden ik ben over:
  1. De politie
  2. Het ziekenhuis
  3. De hulpverleningsinstantie voor zoon Leo
  4. De instantie die het na een jaar van hen overnam
  5. Een ander ziekenhuis (voor iets waar ik nooit aan ben geholpen)
  6. De ANWB (ja, die was fantastisch toen ik twee keer binnen een jaar in Frankrijk strandde) 
  7. De eerdergenoemde sportclub
  8. De buurtclub 
  9. De internetprovider (of was het het waterschap?)
  10. De gemeente, iets met bedrijveninventarisatie (nee, ik neem geen mensen aan)
  11. De woningbouwvereniging (Nee, ik was niet blij met gaslek na plaatsing van de nieuwe CV) 
  12. Dezelfde sociale woningbouwclub (zonnepanelenbelangstellinginventarisatie of zoiets)
  13. Wéér die woningbouw. Ben vergeten waarover (overlast?, veiligheid?, onderhoud?) 
  14. De club van die andere zoon Kees begeleidt
  15. De school, of scholen.... ik ben de tel kwijt.
  16. De vereniging die de belangen van Kees en diens lotgenoten behartigt die wil dat ik mijn stem uitbreng (tweemaal digitaal, éénmaal per snailmail.... er schijnt daar ruzie te zijn...wegwezen!)
  17. En om de voortgang van zijn aandoening (narcolepsie) in kaart te brengen moet niet alleen ik, maar ook Kees zelf én de mentor van school een vragenlijst invullen die niet 'maar vijf minuutjes' van mijn tijd in beslag neemt. zoals de lezing van dit logje, maar zo'n drie kwartier. 
  18. Na een paar maanden volgen nog tweemaal dezelfde vragenlijsten (iets met nulmeting en zo) 
Maar al die stippellijntjes en in te kleuren hokjes zijn niks vergeleken met de dag die Kees in Heemstede doorbracht voor een psychologisch onderzoek. Om daar op tijd te komen moest hij met zijn vader de trein van zes uur uit Groningen nemen. Na afloop bleek één dag niet genoeg om alle formulieren (daar bestond het onderzoek uit) in te vullen. En toen ze na twee dagen eindelijk weer noordwaarts treinden kreeg ik een telefoontje dat ze 'de verkeerde formulieren hadden ingeleverd'.

Daar vind ik wat van.

maandag 7 augustus 2017

Stationshelden en sportpassanten

De rode kralen van haar ketting kleuren goed bij de bloemen van haar bloes. De hals is wijd. Er loopt een klein spinnetje over haar semi nonchalant opgestoken haar. Misschien voelt ze mijn blik op haar blote hals, op de rode delta's die me zonder haar gezicht te hebben gezien, laten weten dat ze ouder is dan ik. De man naast haar ziet het spinnetje niet. Ze kijken beiden naar buiten, naar dezelfde kant van de bus. Onder het zwarte colbert van de kalende man, piept de kraag van een blauw-wit geblokt overhemd. Veel te heet voor een augustusdag naar mijn smaak. Maar het lijkt me geen man die T-shirts in het openbaar draagt. Het stel lijkt me sowieso niet het soort mensen dat de bus neemt. Als we uitstappen zie ik dat haar gelakte schoenen ook rood zijn.

Een jongetje van een jaar of tien met Chinees voorkomen en een enorme nerd-bril passeert me rakelings terwijl hij aandachtig op zijn schermpje tuurt. Aan de achterkant van zijn smartphone zit een beertje. Uit zijn rugzak steken twee regenboogvlaggen. Misschien vindt hij ze mooi. Hij lijkt me wat jong om net alleen te zijn teruggekeerd van de Gay-pride in Amsterdam. In homofoob Italië staan regenboogvlaggen symbool voor vrede. Zo ontdekte ik vorig jaar bij de 'Camino della pace' (vredestocht) naar Assisi. Geen idee wat de Chinese symboliek achter regenboogvertoon is.

Op deze dag strijdt het Nederlands elftal van Leeuwinnen in Enschede om de Europese titel, wordt in Groningen de Mollema-toer gehouden en hier in Maastricht is er de zogenaamde 'Iron Man'. Waarbij deelnemers vier kilometer zwemmen, honderdtachtig kilometer fietsen en daarna nog een heuse marathon lopen. Van sport en fanatisme heb ik nooit veel begrepen.

Ik ben te vroeg op het station en zoek, net als andere uitstervende stervenden, een hoekje voor het station waar ik voorbijgangers zo min mogelijk last bezorg. Rookcoupé's, -zones en palen verdwijnen. Terwijl ik mijn shag met daarop een blote man in foetushouding, die impotentie moet uitbeelden en het bevel 'Hör auf jetzt' tevoorschijn haal, word ik aangesproken door een lotgeval. Of ik ook Frans spreek en misschien weet hoe hij in Visé komt. Van Visé had ik tot gister nog nooit gehoord. In mijn steenkolenfrans leg ik uit dat de trein naar Luik er stopt. Hij is daar aan het werk en doet op zijn vrije dag een dagje Maastricht. Zijn collega's houden meer van zitten en zuipen. Niks voor hem, zegt hij. hij loopt liever wat rond, kijkt naar mensen en gaat op eigen houtje terug. Hij vraagt of ik uit Zwitserland kom, waar hij als Italiaan een tijd heeft gewerkt. We schakelen over op zijn moedertaal.

Als om twee uur de geel blauwe trein uit Eindhoven traag richting stootblokken kruipt en na het open knallen van de deuren een nieuwe lading reizigers uitspuugt, duurt het nog lang voordat ik Leo zie. Zijn tent, matras en slaapzak zijn samen met de hopen half beschimmelde was loodzwaar. Hij wacht moeders op aan het eind van het perron. We duwen de campingzooi in een kluis en hij praat me bij over zijn jongerenvakantie in Zuid-Frankrijk. Op een terras van 'Cucina 50' wordt speciaal voor ons een parasol uitgeklapt. voorbijgangers stoten er hun hoofd tegen. Leo nipt van mijn roze Kriek die ik niet lekker vind en hij gelukkig ook niet. Dan zet ik hem weer op de trein naar Luik, waar zijn vader en broertje hem opwachten. De trein is oud, de bankjes hard maar voordeel is wel dat de raampjes van dit bejaarde materiaal open kunnen. En zo zwaai ik Leo nog lang na als hij met wapperend haar uit zicht verdwijnt. Als in een film van lang geleden.

's Avonds klinkt er gejuich op boven Mosa Trajectum. Voor winnende Leeuwinnen of voor een halfdooie Iron man die op een podium wordt gehesen. Ik zelf ben vooral blij te horen dat Leo goed is aan gekomen op het station van Luik. Dat wel iets wegheeft van een glazen Olympisch stadion
.